Beschrijving: Scholco dreef intensief handel met Nederlands-Indië. Deze tjaps (Maleis voor afdruk) fungeerden zowel als keurmerk, als reclame. Ze werden aangebracht op wit katoenen, onbedrukte doeken die naar Indische batikkerijen werden verscheept om daar bedrukt te worden. Als de textiel een tjap had, wist je zeker dat die van goede kwaliteit was en de afkomst ervan betrouwbaar. De tjaps varieerden van de naam van de producent met een simpele afbeelding tot gedetailleerde afbeeldingen uit de cultuur van het afzetgebied (vaak Nederlands-Indië).
De oorsprong van de N.V. Katoenmaatschappij v/h Gebroeders Scholten & Compagnie lag in de eerste helft van de 19e eeuw toen door de Gebroeders Scholten een handweverij werd geëxploiteerd, waaraan een handel in katoenen goederen was verbonden.
In 1859 werd overgegaan tot de oprichting van een stoomweverij, die toen de naam Gebr. Scholten en Cie. droeg. Deze firma vervaardigde calicots (fijne linnenachtige stof van ongebleekt katoen), shirtings (overhemdstoffen), cambrics (katoenen weefsel gebruikt als stof voor beddengoed, shirts, zakdoeken, boordkragen en kant) en nog verschillende andere manufacturen bestemd voor export naar het toenmalige Nederlands-Indië en voor afzet in het binnenland.
In 1962 werd met de Textielmaatschappij L. van Heek & Zonen uit Losser gefuseerd tot Van Heek Scholco. De fusiefirma – ook wel kortweg Scholco genoemd – kon gerekend worden tot de voornaamste fabrikanten van zakdoeken (met als merknamen Obelisk en Diabolo), bont geweven overhemd- en pyjamastoffen, japonstoffen, vitrages en boekbinderslinnen en dergelijke.
Het bedrijf ging steeds vooruit en werd regelmatig uitgebreid en gemoderniseerd. In 1928 werd er zelfs een tweede fabriekscomplex – een weverij, veredelingsbedrijf en confectiebedrijf – in Wierden aan toegevoegd. Ondanks dat hun bekende fabrieksmerk Scholco lange tijd een uitstekende reputatie had, kwam er in 1988 een eind aan de productie en is het fabriekscomplex in 1989 gesloopt.
Collectie: Stedelijk Museum Almelo